| MIG/MAG lassen |
| Er bestaan verschillende soorten
lasprocedé's. Voor ons als amateur-roestorateur is feitelijk alleen het MIG lassen
interessant. De correcte benaming is overigens MIG/MAG. Voorheen werd het vaak CO2
lassen genoemd. Apparatuur voor MIG lassen is voor de meesten onder ons wel betaalbaar en
met een eenvoudige proplas-techniek kun je vrijwel al het roestoratie werk aan je
favoriete roestmobiel volgens de regelen der kunst (lees APK)
uitvoeren. MIG/MAG lassen is een vorm van booglassen. Met een
(electrische) vlamboog verhitten we de plaats waar twee onderdelen met elkaar moeten
worden verbonden. Op die plaats krijgen we daardoor een smeltbad (een plasje vloeibaar
metaal) en als het materiaal is afgekoeld hebben we een verbinding. Bij het MIG/MAG lassen
wordt extra materiaal toegevoerd in de vorm van een dunne metaaldraad dat op een rol in
het lasapparaat aanwezig is.
Om te voorkomen dat het smeltbad onmiddelijk corrodeert (roest) wordt tijdens
het lassen een gas over het smeltbad geblazen. Dit is een onbrandbaar (inert) gas, we
noemen het dan ook een (be-)schermgas. De gasfles bij het MIG lassen dient dus een heel
ander doel dan die bij het autogeen lassen waar het smelten van het metaal wordt
bewerkstelligd met een hete gasvlam.
Hieronder wordt een nadere beschrijving gegeven van de apparatuur zoals die
wordt gebruikt bij het MIG/MAG lassen.
Bij Rustbuster kunt u tevens het praktische MIG/MAG
instructieboek "Stap
voor Stap MIG/MAG Lassen" bestellen. |
| De MIG/MAG installatie De MIG/MAG installatie
bestaat uit:
- De stroombron.
- De gasfles met drukregelaar.
- Het draadaanvoermechanisme.
- Het slangenpakket met laspistool.
|
|
| De stroombron |
| Voor het MIG/MAG lassen hebben we
gelijkstroom nodig. De stroom die uit het net komt is wisselstroom. Deze stroom moet met
een transformator en gelijkrichter worden omgevormd. De transformator verlaagt de
netspanning tot een veilige lasspanning. De wisselspanning wordt daarna met halfgeleiders
gelijkgericht. De stroomsterkte en spanning kunnen we instellen met regelingsknoppen. De
lasstroom wordt bepaald door de snelheid van de draadaanvoer. Op de stroombron vinden we
de aansluitingen voor de las- en de werkstukkabel. |

|
|
| De gasfles met drukregelaar |
| In de gasfles zit het schermgas, dat de
las beschermt tegen lucht uit de omgeving. Voor het lassen van staal gebruiken we meestal
een mengsel van argon en koolzuur. Dit heet dan MAG-lassen (Metal Active Gas). Het gas
bestaat dan uit 80-85% argon en 15-20% koolzuur. Wanneer we alleen argon gebruiken, dan
heet het MIG-lassen (Metal Inert Gas). Het menggas zit met een druk van
maximaal 200 bar als gas in de fles. De druk kun je aflezen op de gasdrukmeter. De
drukregelaar zorgt ervoor, dat de gasdruk wordt verlaagd naar de werkdruk. Het gasverbruik
kun je aflezen op een stromingsmeter. (bijv. 10 tot 12 l/min.) |
 |
|
| Het draadaanvoermechanisme |
| De lasdraad zit op een haspel binnen in
het apparaat. Het aanvoermechanisme zorgt voor een regelmatige draad toevoer van de haspel
naar het laspistool (ook wel lastoorts genoemd). De transportrollen trekken de draad van
de haspel en duwen hem door het slangenpakket naar het laspistool. De snelheid waarmee dit
gebeurt kunnen we instellen met een regelknop. Bij eenvoudige toestelen geschiedt de
aandrijving meestal met een enkele rol. Duurdere toestellen hebben meerdere aandrijfrollen
waardoor de betrouwbaarheid beter is. |
 |
|
| Het slangenpakket met
laspistool |
| Door middel van een slangenpakket worden
de lasstroom, de lasdraad, het schermgas (en eventueel de koelvloeistofslangen) naar
de lastoorts gevoerd. In de toorts vindt via een contactbuisje de stroomoverdracht
plaats op de lasdraad. In de handgreep zit een schakelaar waarmee de stroom wordt in- en
uitgeschakeld. Tevens wordt daamee de draaddoorvoer en de schermgastoevoer in- en uit
geschakeld. Het gasmondstuk verdeelt het schermgas goed en regelmatig rond de vlamboog. |
 |
|
| De lasdraad |
De lasdraad bij MIG-MAG lassen is een belangrijk onderdeel van deze
lasmethode.
|
| De functies van de lasdraad zijn: |
| - |
Als lastoevoegmateriaal |
| - |
Overdracht van de stroom |
|
| Er zijn twee soorten draad: |
| - |
Massieve draden |
| - |
Gevulde draden |
|

|
| Massieve draden Meestal
zullen wij massieve draad gebruiken. Ze worden in verschillende diameters geleverd. Iedere
draaddiameter heeft een stroomgebied waarbinnen de draad verlasbaar is. Je moet de
goede stroomsterkte bij de lasdraad kiezen (zie tabel).
|
Gevulde draden Een
gevulde draad bevat een holle kern met daarin een poeder. Dit poeder kan de functie van
het schermgas overnemen. Sommige (goedkope) hobbyapparaten werken uitsluitend met gevulde
draad en dus zonder gasfles. Er kan inderdaad mee worden gelast maar de resultaten zijn
minder goed. We zullen het hier dan verder ook buiten beschouwing laten. |
Draaddiameter - Stroomsterktegegbied
| mm |
min. |
max. |
| 0,6 |
35 A |
60 A |
| 0,8 |
50 A |
180 A |
| 0,9 |
65 A |
200 A |
|
|
| De snelheid van de
draadaanvoer |
| Door de draadaanvoer snelheid te
veranderen regel je tevens de stroomsterkte. Wanneer je de snelheid verhoogt, verhoog je
tegelijkertijd ook de stroomsterkte. Bij een hoge draadaanvoer snelheid
ontstaat een diepe inbranding en hoge lasrups. |
 |
Als onderstaande fenomenen zich voordoen is de
draadaanvoersnelheid te hoog en dus de boogspanning te laag:
- Bij een stotende draad
- Bij een onregelmatige boog
- Bij spatten
- Bij een knetterend geluid
|
|
Als onderstaande fenomenen zich voordoen is de
draadaanvoersnelheid te laag en dus de boogspanning te hoog:
- Er vormen zich grove druppels
- Bin onregelmatige boog
- Bij grote spatten
- Bij een "floppend" geluid
|
|
|
| De uitsteeklengte |
| De uitsteeklengte is de lengte van de
draad die tijdens het lassen uit de contactbuis steekt. Bij een grote
uitsteeklengte vloeit er vanzelf minder stroom (er is een hogere weerstand). Er komt dus
minder warmte vrij. Je hebt dan minder inbranding en wel kans op een poreuze las. |
 |
|
| De afstand tussen de
contactbuis en het werkstuk |
| De contactbuisafstand is de afstand
tussen de contactbuis en het werkstuk. Deze afstand is meestal 12 mm. Voor het maken van
een gelijkmatige las moet de contactbuisafstand moet steeds even groot zijn. Soms
is het handig de contactbuisafstand wat te veranderen. Daardoor kunnen we tijdens het
lassen meer of minder "warmte" aan de las geven.
|
 |
|
Wilt u nog meer informatie over
MIG/MAG lassen?
Bestel dan het praktische MIG/MAG instructieboek:
"Stap voor Stap MIG/MAG Lassen"
isbn 978 90 7990 101 2
klik hier voor meer info over dit MIG/MAG instructieboek
Indien u geďnteresseerd bent in de aanschaf van een MIG/MAG
lasapparaat:
Klik hier voor een
totaaloverzicht van MIG/MAG lasapparatuur |
|